Een vormfactor die in 1995 zin had. Wat ons vasthoudt, en waar de échte alternatieven al klaarstaan.

1995 belde — en we namen op

ATX is dertig jaar oud. Intel publiceerde de ATX-specificatie in 1995 als opvolger van het Baby-AT-formaat: een groter bord, logischer connector-layout, betere luchtstroom. Dat was toen een echte stap voorwaarts. De processor zat centraler, de voeding blies lucht over de CPU in plaats van erlangs, en het 20-pins ATX-stroomaansluiting verving het rommelige AT-gedoe met losse P8/P9-stekkers.

Sindsdien is er weinig fundamenteels veranderd. De afmetingen — maximaal 305 × 244 mm — zijn dezelfde gebleven. Het gat voor de I/O-shield zit op dezelfde plek. De vier schroefgaten waarmee je het bord in een kast bevestigt, staan op exact de coördinaten die een engineer in Hillsboro, Oregon dertig jaar geleden op papier heeft gezet. En hoewel er intussen ATX12V-revisies kwamen, PCIe-sleuven werden toegevoegd en DDR5-ondersteuning zijn intrede deed, praat je nog altijd over hetzelfde fysieke sjabloon.

Dat is opmerkelijk, want alles wat in dat sjabloon zit is radicaal veranderd. Een Ryzen 9 9950X verbruikt tot 170 W onder volledige belasting. De GPU ernaast vraagt hetzelfde of meer. Een moderne high-end build trekt zonder moeite 600 W — en die stroom moet via harnassen van kabels worden aangevoerd die hun layout en lengte grotendeels te danken hebben aan kastkeuzes die populair waren toen Bill Clinton nog president was.

Waarom BTX mislukte — en wat we ervan kunnen leren

Intel probeerde het in 2004. BTX, Balanced Technology eXtended, was ontworpen rondom de thermische problemen van de Pentium 4: hoge kloksnelheden, hoge warmteproductie, koeling die niet meeschaalden. BTX draaide de layout om — processor vooraan in de luchtstroom, chipset en voedingselektronica erachter — en beloofde meetbaar betere temperaturen bij minder geluid.

Het werkte. En toch was BTX in 2006 al dood.

De reden is interessant: Intel koos tegelijk met BTX voor een andere architectuurrichting. Core Duo, en later Core 2, sloegen de weg in van efficiëntie in plaats van ruwe kloksnelheid. Het thermische probleem waarvoor BTX was ontworpen, loste zichzelf op. Fabrikanten die al geïnvesteerd hadden in BTX-casings — Dell, Gateway — zaten met een oplossing voor een vraagstuk dat verdwenen was. De rest van de markt had nooit de overstap gemaakt, simpelweg omdat achterwaartse compatibiliteit met ATX te waardevol was om te laten vallen.

De les: een technisch superieur formaat verliest het van netwerk-effecten. Elke kast, elke voeding, elke koeler die op ATX is afgestemd, is een extra reden om bij ATX te blijven. En er zijn er immens veel. Dat is geen irrationele markt — het is een rationele markt die de overstapkosten meerekent.

"Een technisch superieur formaat verliest het van netwerk-effecten. Elke kast die op ATX is afgestemd, is een extra reden om te blijven."

Maar die redenering heeft een grens. Netwerk-effecten beschermen een standaard zolang de alternatieven echt te nicheer of te duur zijn. Dat is precies wat er de afgelopen vijf jaar veranderd is.

De stille opmars van kleiner

Mini-ITX bestaat al langer dan de meeste mensen beseffen — Via Technologies introduceerde het formaat in 2001 — maar het werd jarenlang geassocieerd met compromissen: minder uitbreidingssleuven, beperkte koelingsopties, hogere componentprijzen. Een niche voor enthousiastelingen met te weinig bureauruimte en te veel geduld.

Dat beeld klopt al een tijdje niet meer. De markt voor mini-ITX-kasten werd in 2024 gewaardeerd op circa 881 miljoen dollar en groeit met een CAGR van rond de 8,4 procent richting 2031. De ITX gaming PC-segmentgroei wordt nog hoger ingeschat: richting 11,7 procent per jaar. Dat zijn geen nichemarkten; dat zijn segmenten die sneller groeien dan de broader PC-marktcijfers.

Wat er veranderd is, is de componentondersteuning. Een Dan A4-SFX of Fractal Terra herbergen tegenwoordig zonder moeite een RTX 4080, een goed koelsysteem en voldoende opslag. SFX-voedingen van Seasonic en Corsair leveren 750 of zelfs 1000 W. AIO-waterkoelers zijn beschikbaar in 120-mm-formaat dat past in kasten van minder dan 10 liter. Het compromis bestaat nog — één PCIe-sleuf, één M.2-slot — maar voor de overgrote meerderheid van gebruikers is dat helemaal geen compromis.

En voor wie wil bouwen in een formaat dat iets groter is dan mini-ITX maar kleiner dan volwaardige ATX: micro-ATX en mini-DTX bieden twee of vier PCIe-sleuven in een kast die je nog steeds op een bureau kunt zetten zonder dat hij de ruimte domineert.

Back-connect: ATX zonder de kabelrommel

Misschien het interessantste is wat er op dit moment in het ATX-ecosysteem zelf gebeurt. MSI's Project Zero en Asus BTF zijn back-connect-moederborden: alle kabelconnectoren — voeding, CPU-power, fan-headers, SATA — zitten aan de achterkant van het bord in plaats van de voorkant. Kabels verdwijnen achter het moederbordtray, uit het zicht en uit de luchtstroom.

Het resultaat is visueel spectaculair: een ATX-kast met de cleanliness van een no-compromise SFF-build. MSI levert er kasten bij die een naadloze installatie mogelijk maken — de MAG PANO-serie heeft doorvoergaten op precies de juiste posities. Asus breidde het BTF-ecosysteem in 2025 verder uit met ROG- en TUF-varianten voor Intel Core Ultra Series 2 en AMD Ryzen X3D-processors, plus een bijpassende AIO-koeler waarvan de pomp- en fan-kabels ook via de achterkant worden aangesloten.

Technisch gezien blijft het ATX-formaat — dezelfde afmetingen, dezelfde schroefgaten. Maar de beperking die ATX al decennia kenmerkt, de kabelbundels die de luchtstroom blokkeren en de binnenkant van elke build lelijk maken, is weggewerkt. Back-connect is een bewijs dat het formaat wel degelijk nog kan evolueren. Tegelijk is het een beetje een pleister: je lost een symptoom op van een structureel ouderwets ontwerp.

Wat er eigenlijk zou moeten veranderen

Het fundamentele probleem met ATX is niet de kabels. Het is de grootte. Een ATX-moederbord vraagt een kast van minimaal 40 × 20 × 45 cm als je comfortabel wilt bouwen. Die ruimte staat voor een groot deel leeg. De PCIe-sleuven die ATX rechtvaardigen, worden door de gemiddelde gebruiker niet volledig benut: één GPU, geen soundcard, misschien een netwerkkaart. De overige sleuven zijn decoratie waarvoor je toch een grotere kast meesleept.

Een meer eerlijk formaat voor de gemiddelde gamer of werkstation-gebruiker is micro-ATX: twee PCIe-sleuven, kleinere kast, compatibel met vrijwel alle ATX-voedingen en -koelers. Of mini-ITX voor wie écht compact wil gaan. Beide zijn mainstream genoeg dat de prijs niet meer significant afwijkt van ATX — de marktverschillen zijn op boardniveau vaak kleiner dan vijftig euro voor vergelijkbare chipsets.

En toch kopen mensen standaard ATX-boards. Niet omdat ze de extra sleuven nodig hebben, maar omdat een grotere kast de perceptie van meer ruimte geeft, meer lucht, minder compromis. Het is een psychologisch comfort, geen technische noodzaak. En die perceptie kost je een halve meter bureauruimte, een zwaardere behuizing en — als je ooit je PC wilt verplaatsen — twee handen in plaats van één.

De markt beweegt langzaam de goede kant op. SFF groeit, back-connect wint terrein, en de meest verkochte formfactoren in de budget- en midrange-segmenten verschuiven richting micro-ATX. Maar zolang elke prebuilt-configurator standaard op "ATX mid-tower" staat, blijven we bouwen in een mal die Jimmy Carter nog zag staan.

Formfactor op maat van gebruik

Formaat Afmeting bord PCIe-sleuven Ideaal voor
Mini-ITX 170 × 170 mm 1 Gaming, homelab, compact werkstation
Mini-DTX 170 × 203 mm 2 Compacte builds met iets meer uitbreidbaarheid
Micro-ATX 244 × 244 mm 4 Midrange gaming, werkstation, meeste gebruikers
ATX 305 × 244 mm 7 Multicard workloads, maximale uitbreiding
ATX (back-connect) 305 × 244 mm 7 ATX-gebruik met cleane kabelinstallatie

Veelgestelde vragen

Is ATX écht slechter dan mini-ITX voor gaming?

Nee, voor pure gamingprestaties maakt het formfactor van het moederbord geen enkel verschil. Een Ryzen 7 9800X3D op een mini-ITX-bord presteert identiek aan dezelfde CPU op een ATX-bord. Het verschil zit in kasomvang, koelingsopties en het aantal uitbreidingssleuven — niet in framerate.

Zijn back-connect moederborden (BTF, Project Zero) compatibel met gewone ATX-kasten?

Niet zonder meer. Back-connect-moederborden vereisen een kast met doorvoergaten op de juiste posities achter het moederbordtray. Merken als Fractal Design, Corsair en MSI zelf hebben compatibele kasten uitgebracht, maar een willekeurige ATX-midi-tower werkt niet automatisch.

Waarom kiezen fabrikanten dan toch voor ATX?

Vanwege het distributievoordeel: één ATX-bord past in honderd verschillende kasten op de markt. Voor OEM-fabrikanten die grote aantallen produceren is die universele compatibiliteit goedkoper dan maatwerk. Voor de eindgebruiker is de redenering minder dwingend, maar de gewoonte — en het aanbod — stuurt de keuze.

Is micro-ATX echt een goed alternatief, of zit je vast aan mindere boards?

Micro-ATX-moederborden zijn voor de meeste chipsets beschikbaar op elk prijsniveau. Een B650M of Z790M biedt nagenoeg dezelfde functionaliteit als de ATX-variant van hetzelfde chipset — inclusief DDR5, PCIe 5.0, meerdere M.2-sleuven en Wi-Fi. Het enige echte verschil is het aantal PCIe-sleuven; al het andere is identiek of bijna identiek.